KMO-plan Groen!


door Remi Heylen

voorzitter Groen! Westerlo

11 juli 2004

KMO-plan GROEN!
Kleinschalig Milieuvriendelijk Ondernemen
met Kleine en Middelgrote Ondernemingen
om de Kempen Milieuvriendelijk te Ontwikkelen

Discussietekst ENERGIE

Presentatie   (ppt, 3,6 MB)

Woord vooraf

Dit KMOplan is voor een groot deel de weergave van de voorstellen van vier Kempense groenen die zich met hernieuwbare energie bezighouden. De informatie werd gehaald uit gesprekken met bedrijfsleiders uit de duurzame sector, uit internationale vaktijdschriften, websites van producenten, bezoeken aan buitenlandse beurzen.
Deze gesprekken, opzoekingen zijn begonnen begin 2003.
KMO in zijn Kempense interpretatie is het chauvinistisch trekje van onszelf omdat we onze regio terug op de economische kaart willen brengen.
Onze regio heeft duurzame energie nodig om economisch, maar ook ecologisch gezond te worden.
Wat voor de Kempen goed is, is ook goed voor de rest van Vlaanderen.
Onze contacten beperkten zich niet tot de Kempen alleen. Integendeel, ze waren gespreid over gans Vlaanderen én onze buurlanden.
Het is onze hoop dat deze tekst de discussie naar fundamentele keuzes voor duurzaam ondernemen in gang mag zetten.
Een powerpoint presentatie met voorbeelden kan je vinden als bijlage op het einde van dit artikel.
We starten de discussie met de tekst over energie. Deze tekst beschouwen we nu als definitief. Definitief betekent hier dat we het voorstel lanceren zoals het nu neergeschreven is.
Over andere onderwerpen als water, bodem, landschap, ... zijn teksten in voorbereiding.

VASTSTELLING

Grote bedrijven zoeken een uitweg uit de crisis door ofwel te herstructureren (lees massale ontslagen), of door uit te wijken naar lageloonlanden.
In de energiesector stellen we vast dat schaalvergroting een sector kwetsbaar maakt. Denk maar aan de stroompannes van eind 2003, zowel in Europa als de VS (met het gekende domino-effect op de hoogspanningslijnen). De stroompannes van juni 2004 bewijzen dat de stroomtoevoer ook in ons land kwetsbaar is.
De Vlaamse stroomproductie is nog op een ander vlak kwetsbaar omwille van de quasi monopoliepositie van de grootste stroomproducent. Een speler op de energiemarkt die dan nog in Franse handen dreigt te vallen.
Vlaanderen wordt dan wel heel afhankelijk van een buitenlandse stroomleverancier. Kleine spelers op de Vlaamse energiemarkt zullen het dan wel heel zwaar te verduren krijgen.
De "paarse" regering beloofde 200.000 jobs, maar verder dan de jacht op werklozen is men nog niet gekomen.
Tegen 2010 moet 6% van de stroomproductie bestaan uit groene stroom. Dat dit, voor de traditionele stroomproducenten, een moeilijke klus blijft, bewijzen de boetes die ze moeten betalen omdat ze onvoldoende groene stroom produceren.
De afbouw van de kernenenergie zou normaal het zoeken naar alternatieven moeten stimuleren.
De verplichtingen inzake het halen van de Kyotonorm nopen tot ingrijpende maatregelen.
Tenslotte stellen we vast dat we bij te mooi weer (veel zon) niet mogen buitenkomen (te veel ozon). In de winter moeten we bij mooie windstille dagen ook binnenblijven en de auto in de garage laten omwille van teveel verontreiniging in de lucht.
Kort samengevat : jobs verdwijnen, ons milieu blijft slecht en tengevolge daarvan stijgt het aantal ziekteklachten.

13 juni 2004 - wat nu?

Nu is er ook nog eens de nieuwe politieke situatie na 13 juni bijgekomen.
Alle "commentatoren" zeggen in koor dat "taboes moeten sneuvelen", "er naar mekaar moet geluisterd worden", "er meer innovatie moet komen". Kortom iedereen is het er over eens dat een andere aanpak nodig is.
Dat is ook onze stelling. Het taboe dat kernenergie onontbeerlijk is, mag als eerste sneuvelen.
Zoals in de jaren vijftig de omschakeling van steenkolen naar olie heel wat overheidssteun kreeg, zo kan overheidssteun nu ook de omschakeling naar een duurzame economie op gang brengen.
In bijlage worden een aantal initiatieven vermeld die zo’n omschakeling beogen.
Die omschakeling zal nieuwe jobs creëren, ons milieu properder maken en dus onze gezondheid ten goede komen.

ANDERE AANPAK, NIEUWE CONCEPTEN

Een andere aanpak is dan ook nodig.
Nu gaat de discussie nog te veel om de kwantiteit, het aantal jobs.
De discussie moet gaan over kwaliteit.
Nu beperkt de discussie zich tot arbeid of milieu, terwijl het antwoord arbeid en milieu is.
Nu beperkt de discussie zich tot kernenergie of vervuilende uitstoot, terwijl het antwoord is kernenergie afbouwen en alternatieve energie en brandstoffen ontwikkelen.
De Kyotonormen zijn geen last, maar een opportuniteit.
Voor Europa zijn "duurzame ontwikkeling" en "gelijke kansen" de criteria waaraan nieuwe initiatieven die Europese steun vragen, moeten voldoen.
Duurzame ontwikkeling is niet meer of niet minder dan mens- en milieuvriendelijk ondernemen!
Ondernemen op een mens- en milieuvriendelijke schaal zou dan ook de logische conclusie moeten zijn.
Meer jobs in de zorgsector is nodig. Het volstaat echter niet om in die sector en/of de dienstensector mensen aan een job te helpen als daarnaast geen nieuwe industriële activiteiten ontwikkeld worden.
De sector van duurzame energie heeft voldoende opportuniteiten om nieuwe concepten te ontwikkelen die duurzame jobcreatie in zich hebben.
Met groene energie kan men een gezonde economie ontwikkelen.
Gezonde economie betekent in dit geval gezond op puur economisch vlak (financieel/tewerkstelling), maar ook gezond in de zin van "niet schadelijk" voor mens en milieu.
De schaal waarop die economie zich ontwikkelt moet beheersbaar blijven. Kleine en middelgrote ondernemingen, eventueel in een ruimer netwerk gekoppeld, die op een mens- en milieuvriendelijke manier ondernemen, dragen bij tot zo’n gezonde economie.
Met deze tekst wil Groen!Kempen de discussie uitlokken rond kleinschalige milieuvriendelijke ontwikkeling van onze regio.
Het is hiervoor als vermeld is onze stelling dat duurzaam ondernemen jobs schept, ons milieu proper maakt en dus onze gezondheid minder aantast.

DUURZAME BRANDSTOFFEN

"Groene waterstof" wordt de zuurstof voor hernieuwbare energie, voor een vernieuwende economie.
De luchtverontreiniging, het hoge CO2-gehalte, ... hebben te maken met de uitstoot van het verkeer, met industriële processen, enz.
Het komt er dus op aan om een gezond alternatief te vinden voor vervuilende brandstoffen.
"Groene" waterstof is een mogelijk alternatief, d.w.z. waterstof geproduceerd op basis van water en hernieuwbare (duurzame) energie of op basis van (nog te ontwikkelen) duurzame technologie.
In Vlaanderen is project H (www.project-h.org) de voortrekker om waterstof als energiedrager van de toekomst te ontwikkelen.
Waterstof kan toegevoegd worden aan aardgas, kan in bifuelmotoren en omgebouwde aardgasmotoren gebruikt worden en kan via brandstofcellen electromotoren aandrijven.
De ontwikkeling van deze technologie zal nog een aantal jaren duren.
Voor de aanmaak van waterstof via de electrolyse van water heeft men behoorlijk wat elektrische stroom nodig. Het zal er dus op aankomen om hier de nodige creativiteit aan de dag te leggen om voldoende hernieuwbare energievormen te ontwikkelen die mee kunnen groeien i.f.v. de stijgende waterstofbehoeften.

Naast waterstof zijn nog andere technieken mogelijk om de overgang van fossiele naar duurzame brandstoffen mogelijk te maken o.m. hybridewagens (electro, ...).
In hoeverre HPV’s (drie-, vierwielers - menskracht) een ruim aandeel kunnen krijgen om als alternatief door te breken zal van de comfortontwikkeling van deze (voer)tuigen afhangen.

Naast groene waterstof is er ook nog biodiesel: een CO2-neutrale brandstof. Deze optie wordt door de gevestigde automerken nog minachtend bekeken maar laat veel mogelijkheden toe. Biodiesel wordt geproduceerd uitgaande van plantaardige oliën. Daar waar Europa oplegt om landbouwgronden braak te laten liggen wegens overproductie, lijkt het ons meer aangewezen om deze gronden te benutten voor de productie van gewassen geschikt voor de aanmaak van biodiesel. De enorme landbouwarealen van de nieuwe EU-lidstaten hebben een groot potentieel om biodiesel te produceren. Voordeel van biodiesel is dat een overbevolkt land als België dit product niet volledig zelf moet produceren.
Het voordeel van biodiesel is dat dit kansen geeft om het bestaande dieselwagenpark op milieuvriendelijke wijze CO2-neutraal te maken.

DUURZAME (GROENE) STROOM

De koppeling van groene stroom - groene waterstof heeft als voordeel dat de waterstofproductie als buffer tussen de vraag naar en het aanbod aan groene stroom kan dienen.
In piekperiodes (hoge stroombehoefte) valt de waterstofproductie stil, in dalperiodes (lage stroombehoefte) wordt waterstof geproduceerd.

Gedecentraliseerde energieproductie
Om grote stroompannes (met domino-effect) te voorkomen is een gedecentraliseerde energieproductie het sleutelwoord. Men kan kleinschalige duurzame energieproductiesystemen in een netwerk koppelen, eilandwerking als het ware. Energieconsumenten kunnen energieproducenten worden door hun overschot aan dat netwerk te leveren. De vraag kan centraal gestuurd worden.

Eerlijke prijs
De prijs die betaald wordt voor de groene stroom die aan het net teruggeleverd wordt, moet opgetrokken worden. Elektriciteit uit hernieuwbare energie dient een hogere vergoeding te krijgen dan de andere productievormen.
De afschrijvingstermijn voor hernieuwbare energiesystemen moet hoger liggen dan de gangbare drie jaar. Op die manier wordt het voor overheid/bedrijven wel interessant om in deze energiesystemen te investeren.

Kyoto-norm
Om aan de engagementen, aangegaan in het kader van de Kyoto-overenkomst, te kunnen voldoen, investeert de overheid in of ondersteunt ze best de sector van de hernieuwbare energie.
De synergie met de productie en het gebruik van waterstof maakt dat we sneller dan voorzien aan de gestelde normen kunnen voldoen.

Maatregelen vanwege de overheid
Het aanpassen van de wetgeving om dergelijke investeringen mogelijk te maken, het aanpassen van overeenkomsten met de grote stroomleveranciers (prijs teruggeleverde stroom,..), het aanpassen van het vergunningenbeleid, enz zijn zaken waarmee de overheid de sector van de hernieuwbare energie meer kansen kan geven.
Door te investeren (aankoop/plaatsing) in de nieuwste technologie geeft de overheid zelf het voorbeeld.
Ruime overheidsinvesteringen in kleinschalige infrastructuur zullen meer kans op slagen hebben dan een éénmalige overheidsinvestering in een mastodontproject.

Gezonde economie
Omdat het hier gaat om een geleidelijke overgang van een wegwerpeconomie naar een duurzame economie, heeft men de tijd en de middelen om deze overgang vlot en zonder comfortverlies te laten verlopen.
Op termijn zal de invoering van milieuvriendelijke brandstof, hernieuwbare energie resulteren in zuivere lucht, betere gezondheid omwille van vermindering van allergieën, enz., tewerkstelling in KMO’s die bezig zijn met de productie/plaatsing/onderhoud van die nieuwe technologie.
We zullen dan zonder meer voldoen aan de doelstellingen van Kyoto.
De budgettaire bonus voor de staatskas is een logisch gevolg van voornoemde evolutie.
Het gaat hier dan nog maar enkel over energie.

MOGELIJKE SCENARIO’S

1. Energiebesparing
We springen nog veel te nonchalant om met onze energie.
Energieverbruik in de gezinnen zal dalen, enerzijds door sensibilisatie tot zuiniger energiegebruik, anderzijds door verbeterde technieken als passief huis, energiezuiniger apparaten, LED-verlichting, enz.
Door zuiniger om te springen met onze energie besparen we niet alleen op onze portemonnee, maar zal langs de productiezijde meer ruimte komen voor groene stroom.

2. Van energieconsument naar energieproducent
De technische evolutie en de daarmee gepaard gaande rendementsverbetering en/of prijsdaling van hernieuwbare energiesystemen zal in een stroomversnelling gebracht worden.
De plaatsing van PV-panelen, zonneboilers, kleinschalige windmolens, andere hernieuwbare energiesystemen zullen tot gevolg hebben dat gezinnen met een energieoverschot zitten.
Dat overschot kan dan aan het net teruggeleverd worden en/of voor de aanmaak van groene waterstof gebruikt worden.
Door te streven naar energieonafhankelijke woningen/entiteiten kan men dit nog meer in de hand werken. (cfr hoger) Een eerlijke prijs voor de teruggeleverde stroom is een conditio sine qua non om dit mogelijk te maken.

3. Microwarmtekrachtkoppeling
Er moet een goede regeling komen voor het ontwikkelen van warmtekrachtkoppeling. Naar analogie met groene stroom moet er ook een betere regeling komen voor warmtekrachtstroom. Het bestaande systeem in de vorm van warmtekracht-certificaten moet worden geoptimaliseerd.
Elke particulier moet de mogelijkheid hebben om meer stroom afkomstig van warmtekracht in het net te steken dan dat hij verbruikt en dus te fungeren als een netto-leverancier van stroom. Indien geen enkele stroomleverancier deze stroom wil opkopen moet hij een gegarandeerde prijs krijgen van de VREG.
Er bestaat momenteel wel een verplichting voor energieleveranciers, een minimum aan WKK en groene stroom te leveren of hiervoor certificaten aan te kopen, en dit percentage wordt jaarlijks verhoogd maar dit blijkt in de praktijk onvoldoende.
Met warmtekrachtkoppeling kan men ook sanitair warm water produceren op ecologisch verantwoorde wijze. Alhoewel het benutten van een zonneboiler in dit geval duurzamer is.

4. Offshore-windmolenparken
Windmolenparken op het land moeten de voorrang krijgen.
Maar gelet op de beperkingen inzake ruimtegebruik, rendement zal offshoreproductie nodig zijn.
Windmolenpark/annex waterstofproductie met pijpleiding naar bv Zeebrugge, golfslagcentrales/waterstofproductie.
In Duitsland worden drijvende windturbines getest. De kansen dat deze turbines echt in productie kunnen genomen worden zijn reëel. Dit opent perspectieven om waterstofproductiecentrales in zee aan te leggen, zowel op nieuwe locaties als op plaatsen waar voorheen aardgas en/of olie werd opgepompt.
Het produceren van waterstof en zuurstof via elektrolyse in offshore-windparken en offshore golfcentrales moet worden aangemoedigd. Er zit heel veel potentieel in dit type van energieproductie: Door de elektrische energie om te zetten in waterstof daalt het energetisch rendement met de helft maar dit wordt gecompenseerd doordat de offshore windmolens tot dubbel zoveel opbrengen als onshore windmolens.
Erg belangrijk is dat de zee zeer uitgestrekt is en dat mens en milieu geen of weinig hinder hebben van drijvende centrales. Technisch zijn deze centrales realiseerbaar maar deze technologie moet uiteraard ontwikkeld worden. Zo is het onderzoek naar drijvende windmolens in Nederland inmiddels gestart.
België en zeker Vlaanderen is te dicht bewoond om tot een groot aandeel groene stroom te komen zodat we riskeren afhankelijk te blijven van milieuonvriendelijke en gevaarlijke energiebronnen zoals kernenergie. Voor een land als België of Nederland biedt enkel de zee een alternatief.
De waterstof kan ingezet worden als alternatieve brandstof voor wagens, als grondstof en als brandstof voor STEG-elektriciteitscentrales. In principe kan deze waterstof ook worden toegevoegd aan het aardgasnet alhoewel dit tot een degradatie van de hoogwaardige brandstof leidt indien dit aardgasmengsel naderhand enkel voor huishoudelijke verwarming wordt toegepast. (In feite is men zich dan elektrisch aan het verwarmen met groene elektriciteit.)

5. Onshore-windmolenfarms
We moeten af van de absurde situatie dat in landbouwgebied geen windmolens mogen geplaatst worden. Aan vrijstaande boerderijen in een wijds landschap kan men zo’n molen plaatsen. De landbouwer is de stroomleverancier en/of participeert in het stroombedrijf dat de molen plaatst. Het is een bijkomende bron van inkomsten voor de betrokken landbouwer.
Locaties als verlaten stortplaatsen (bouw aan de rand van) moeten dringend mee in optie genomen worden om hier windmolenparken te kunnenplaatsen.

6. Windsideturbines (Savoniuswindturbines)
(www.windside.nl)
Dit Fins systeem kan overal in het land geplaatst worden. Vooral op hoogbouw is dit een geschikt energiesysteem. Aan de Belgische kust zeker, maar ook in de steden is dit een potentiële energiebron. De turbines zijn geluidsarm, behoeven weinig onderhoud en hebben een levensduur van meer dan vijftig jaar. In Nederland worden nu conceptstudies uitgewerkt om deze turbines optimaal te benutten o.m. in woonblokken. In Londen is de in opbouw zijnde Vauxhall tower met een grote Savoniusturbine uitgerust. Deze toren gaat in 2005 open en zal dan volledig energieonafhankelijk zijn (aardwarmte, zon, wind).
Het loont dus zeker de moeite om de mogelijkheden van deze turbines te onderzoeken.

7. LED-lampen voor Openbare Verlichting (OV)
Vandaag fungeert de straat- en autowegverlichting als ‘dumpingsysteem’ voor kernstroom. Uiteraard moet de veiligheid van de burgers gewaarborgd blijven en licht geeft nu eenmaal een gevoel van veiligheid maar het is niet nodig om de kerncentrales te subsidiëren door energieconsumerende straatverlichting toe te laten.
Ook hier staat de technologie niet stil: Op dit moment laten nieuwe technieken zoals LED-verlichting toe om met een minimum energieverbruik toch een goede verlichting te voorzien.
Dit is een pleidooi voor het invoeren van een meerjarenplan naar de gemeenten toe om systematisch over te schakelen naar LED-verlichting als straatverlichting door het jaarlijkse procentuele aandeel LED-verlichting te verhogen:
- oude verlichtingspalen zouden kunnen vervangen worden door verlichtingspalen met geïntegreerd zonnepaneel of kleinschalige windmolen, waar mogelijk (autowegen)
- bij bestaande nieuwe palen is het voldoende om de bestaande verlichting te vervangen door LED-verlichting.
Het lijkt ons evident dat de overheid het goede voorbeeld geeft naar de particulieren om over te schakelen op energiezuinige verlichting.

Daarbij aansluitend zou moeten worden ingegrepen in de huidige prijzenpolitiek van de grote elektriciteitsproducent Elektrabel.
Elektrabel dumpt zijn kernstroom ’s nachts op het net aan zeer goedkope tarieven en vraagt overdag aan de gewone verbruiker woekerprijzen en dit enkel omdat kerncentrales ’s nachts niet kunnen worden stilgelegd.
Deze maatregel is een sociale maatregel aangezien de modale burger ’s nachts weinig stroom verbruikt: Als de stroom ’s nachts iets duurder wordt, kan hij overdag goedkoper zijn. Spotgoedkope nachtstroom leidt enkel tot verkwisting.

In de rand dient vermeld te worden dat de Amerikaanse regering recent nog een ruim budget heeft vrijgemaakt voor onderzoek naar LED-verlichting. Dit is dus wel degelijk een veel belovende techniek.

8. LED-lampen in verkeerssignalisatie
Analoog met de geleidelijke invoering van LED-lampen voor de openbare verlichting kan men de geleidelijke overschakeling voorzien van de verkeerslichten op LED-lampen.
De energiebesparing die hiermee mogelijk is, is groot. Om aan de Belgische norm inzake bedrijfszekerheid te voldoen, is verder onderzoek van bestaande systemen en verbetering ervan noodzakelijk.

9. Combinatie hernieuwbare energie/OV
Omschakeling van de openbare verlichting naar LED-verlichting. Men kan al beginnen met de "groene zuilen" (verlichtingspaal met LED-armatuur, windmolentje en pv-paneel op afgelegen plaatsen te zetten waar "hinder- of overlastrisico" is.
LED’s behoeven weinig energie. Gekoppeld aan kleinschalige systemen van hernieuwbare stroom kan men de opgewekte stroom ofwel gebruiken voor de lamp (wanneer nodig), ofwel opslaan in batterij ofwel doorsturen naar het net. Op die manier krijgt men een extra groene stroomleverancier.

10. Biomassa en steg-centrales
Vandaag de dag moeten verenigingen en particulieren betalen voor het ophalen en verwerken van ‘houtafval’. Dit houtafval wordt daarna op een energetisch laagwaardige wijze verbrand.
Het verzamelen en aanbrengen van houtafval zou financieel moeten worden aangemoedigd. Mogelijk kunnen de containerparken ingeschakeld worden om houtafval te verzamelen.
Houtkanten kunnen opnieuw een economische functie krijgen.
Op die manier kan men komen tot een win-win situatie in het streven naar meer lijnvormige landschapselementen, verhogen van biodiversiteit en rendabel houden van de landbouwactiviteit.

10.1 Grootschalige toepassing: Het houtafval kan met zuivere zuurstof worden omgezet in CO-gas dat in een STEG-elektriciteitscentrale kan worden omgezet in elektriciteit met een hoog rendement. Kolencentrales kunnen omgebouwd worden naar centrales op basis van biomassa.

10.2. Kleinschalige toepassing: Het houtafval kan worden omgezet tot houtpellets (vermalen en samengeperste pellets). Deze pellets zijn de ideale brandstof voor pelletkachels. Deze pellets kunnen ook als alternatieve brandstof voor andere toepassingen ingezet worden. Deze techniek verbrand houtafval met een zeer hoog rendement. Deze techniek werd op punt gesteld in Oostenrijk waar hij nu reeds op grote schaal wordt toegepast. Ook in Wallonië ondersteunt de overheid de aankoop van pelletkachels.

11. Olifantengras (miscanthus)
Aansluitend bij punt 8, biomassa is onderzoek in Vlaanderen naar het gebruik van Olifantengras voor gebruik als biomassa voor omzetting naar gas te overwegen.
Olifantengras zou ook de eigenschap hebben om zware metalen op te nemen.
Indien deze optie in Vlaanderen bruikbaar is dan kan men én de verontreinigde particuliere percelen hiermee van zware metalen zuiveren en ze inzetten als biomassa.
Op de stroken langs autosnelwegen die nu grasperken zijn of op andere grotere openbare percelen die niet benut worden kan men overwegen om Olifantengras aan te planten. Het behoeft maar één maaibeurt per jaar wat op zich ook weer een besparing is inzake onderhoud van die percelen (vermindering maaibeurten).

12. PV-panelen, zonneboilers
Het gebruik van PV-panelen en zonneboilers in de individuele woning is genoegzaam gekend.
De overheid zal nog grotere inspanningen moeten leveren om deze technologie betaalbaar te maken. Zie de argumenten hiervoor elders o.m. eerlijke prijs, ...

13. PV-centrales
Voor de aanleg van PV-centrales heeft men grote oppervlakten nodig.
Men kan overwegen om PV-daken te plaatsen (overkapping) van grote parkeerplaatsen langs de autosnelwegen, industrieterreinen (=verharde oppervlakte onder pv-dak). Deze kunnen zorgen voor stroom i.s.m. windmolen voor ofwel stroomlevering/waterstofproductie. Het regenwater kan opgevangen worden en gebruikt voor sanitair, proceswater, ...

14. Stappenplan voor milieuvriendelijke wagens
Momenteel rijden er zeer veel bedrijfswagens en leasingwagens rond. Deze wagens vallen onder een gunstig fiscaal tarief. De overheid ‘subsidieert’ dit soort wagens. (Maar ook particulieren kunnen hun wagen voor woon-werkverkeer inbrengen als aftrekpost bij de aangifte van hun personenbelasting ongeacht of deze al dan niet milieuvriendelijk zijn.) Deze wagens zijn in de praktijk zowat de meest milieuonvriendelijke wagens.
Zelfs met een high-tech-roetfilter zijn deze wagens niet mens- en milieuvriendelijk. Integendeel een roetfilter blijkt in de praktijk te zorgen voor nog meer gevaar voor het menselijk lichaam: de roetfilter is wel goed om stof uit de lucht te houden. Omdat de grove partikels worden verwijderd uit de uitlaatgassen komen er enkel zeer fijne partikels in de omgeving terecht en deze fijne partikels komen via de longen uiteindelijk in het bloed terecht en kunnen voor kanker zorgen. Zonder roetfilter hechten de fijne partikels zich aan de grove en worden ze gezamenlijk ingeademd en weer uitgestoten [Dit geldt natuurlijk evengoed voor dieselwagens die voor prive-gebruik aangekocht worden.].

Het is onaanvaardbaar dat dieselwagens worden bevoordeeld tov milieuvriendelijke benzinewagens of biodieselwagens. Probleem is ook dat leasewagens na 4 a 5jaar in groten getale op de tweedehandsmarkt worden gedumpt zodat deze tweedehandsmarkt in de praktijk ook gedomineerd wordt door zeer milieuonvriendelijke diesels.
In die zin is het verantwoord om te eisen dat enkel milieuvriendelijke wagens zoals de benzine Euro-4-norm met een zeer laag verbruik (hybride wagens), laagverbruik-biodieselwagens of op termijn CO2-vrije wagens (op waterstof) in aanmerking komen voor de gunstige fiscale maatregelen.
Om te vermijden dat de autoconstructeurs in de problemen komen (onvoldoende aanbod van milieuvriendelijke wagens) is het aangewezen dat deze maatregel stapsgewijze wordt ingevoerd.
* In eerste instantie dient men de leasemarkt om te vormen:
Elke leasingfirma moet stapsgewijze elk jaar procentueel het aantal milieuvriendelijke nieuwe wagens verhogen:
Bv: vanaf 2005: 5% van het nieuwe wagenpark moet milieuvriendelijk [wat verstaan we hier onder milieuvriendelijk?] zijn
Vanaf 2006: 15%, vanaf 2007: 25%; vanaf 2008: 35% enz...
* In tweede instantie dient men ook de belastingsaftrek voor firma’s/mensen die een wagen inbrengen als onkost bij hun belastingsaangifte ertoe aan te zetten om milieuvriendelijke wagens aan te schaffen: de belastingsaftrek voor milieuonvriendelijke wagens moet geleidelijk aan verminderen.
Naar analogie met de regeling in Groot-Brittannië, kan de rijtaks en de inverkeerstellingstaks afgeschaft worden of op een minimumbedrag gezet worden voor hybride voertuigen zoals de Toyota Prius of de Lexus RX 320 Hybride, en andere ...
Dit punt betreft dus de eigen aankoop van wagens door firma’s en zelfstandigen evenals de wagen voor woon-werkverkeer van de modale werknemer.

Er zijn nog misbruiken ...
Heel wat werknemers moeten slechts 5.000 a 7.000 km per jaar betalen aan hun werkgever om hun bedrijfswagen ook voor privé-doeleinden te gebruiken. Dit is niet enkel een asociale regel tav die werknemers die geen bedrijfswagen hebben maar ook een milieuonvriendelijke maatregel: hoeveel km men ook voor privé-doeleinden rijdt, het forfait blijft van toepassing.
Een mogelijke ingreep bestaat erin om het aantal te betalen km afhankelijk te maken van het aantal gereden km: bv 30 a 40% van het aantal verreden km moet betaald worden door de werknemer. Dit moet de werknemer ertoe aanzetten om zowel voor zijn werk als voor privé-doeleinden minder km proberen te rijden: hoe minder km, hoe beter voor het milieu. In wezen is dit nu ook zo, maar doordat hier geen controle op bestaat, heeft de wetgever rekening gehouden met een minimum van 5.000 km.
Het eenvoudigste alternatief bestaat erin om het forfait te verhogen tot minimum 15.000 km (dit leunt eerder aan met de praktijk dat bedrijfswagens voor alle doeleinden worden benut - ook om op verlof te gaan). Dit zal werknemers afschrikken om te snel te opteren voor een bedrijfswagen.

Vandaag de dag is het mogelijk dat dure, energieverslindende wagens worden ‘omgebouwd’ tot lichte vrachtwagen. In principe is het mogelijk dat een Porsche Cayenne wordt voorzien van een hekwerk achter de zetel om te worden beschouwd als lichte vrachtwagen. Dit truckje wordt veel toegepast bij Jeeps. Een Jeep zou normaal jaarlijks zeer veel autobelasting moeten betalen omwille van zijn grote vermogen maar mits het plaatsen van een hondenrekje of tussenschot achter de achterbank of het wegnemen van de achterbank is dit een lichte vrachtwagen die bijna geen belastingen moet betalen. (Er is dan geen inverkeerstellingstaks te betalen en bovendien wordt de wagen volledig aftrekbaar voor het bedrijf, ipv 75 %.)
Hier lijkt de logische maatregel erin te bestaan dat enkel erkende types wagens nog mogen beschouwd worden als lichte vrachtwagen (type Renault Kangoo,...) en dat een ombouw onvoldoende is om te komen tot een lichte vrachtwagen of dat men minstens moet kunnen aantonen dat voor de specifieke beroepseisen (vb marktkramer of garagehouder) een dergelijk voertuig noodzakelijk is.
Een tweede voorwaarde moet zijn dat deze bedrijfswagens milieuvriendelijk zijn: In elk geval moet het verbruik per 100 km beperkt blijven zodat energieconsumerende Jeeps niet langer interessant zijn als bedrijfswagen.[Een taks op de CO² uitstoot ipv op het Bruto gewicht kan misschien veel recht trekken. Hiermee kan dan een investering gedaan worden voor het milieu.] In de praktijk zou het dus mogelijk moeten zijn dat een lichte Jeep met een beperkt verbruik erkend wordt als bedrijfswagen zolang het type als dusdanig als apart type op de markt wordt gebracht.

15. Steunmaatregelen vanwege de overheid
Zoals elders in de tekst al aangehaald, heeft de overheid een cruciale rol in het stimuleren van milieuvriendelijk of duurzaam ondernemen. De overheid heeft daarnaast ook een regelende functie o.m. bij het vastleggen van labels, ...
Hieronder een aantal specifieke mogelijkheden :

15.1. Energielabel voor warmwaterboilers
Er wordt nog te veel gebruik gemaakt van elektrische boilers voor het aanmaken van warmwater. Vaak wordt hiervoor nachtstroom gebruikt en dit is dus kernstroom.
Deze boilers zijn minderwaardig van kwaliteit en kunnen daardoor verkocht worden tegen spotprijzen. In dat opzicht vormen zij een oneerlijke concurrentie met zonneboilers: deze boilers zijn van zeer hoge kwaliteit (zeer goede isolatie met een zeer laag warmteverlies).
In die zin pleiten we er dus voor dat elektrische boilers ook hoogwaardig van kwaliteit zijn: een minimum isolatie en een minimum aan warmteverliezen. Dit zal de prijs van deze boilers doen stijgen maar de verbruiker verdient deze meerkost terug door een lagere energierekening.
Er moet gedacht worden aan minimum energielabels voor elektrische boilers. Het principe van energielabels op zich bestaat reeds, maar er is geen verplichting of ernstige motivatie voor de consument om een goed geïsoleerde boiler te kopen.
Het gaat niet op dat men bezig is met AA en AAA-labels voor koelkasten en dat men grootverbruikers als boilers ongemoeid laat. Dit is op zijn minst hypocriet te noemen.

15.2. Geleidelijke afbouw van het goedkope nachttarief
Zoals reeds eerder aangehaald moet de kunstmatige aanmoediging tot het verbruiken van nachtstroom worden afgeremd. Het nachtelijk verspillen van stroom is onverantwoord vanuit een duurzame invalshoek. Goedkope nachtstroom zet mensen er niet toe aan om bv wasmachines of vaatwasmachines te kopen met een laag energieverbruik: dubbele wateraansluiting - zowel koud als warm water - waarbij het warme water dan geproduceerd kan worden op een duurzame manier eerder dan elektrisch.
Om de maatregel sociaal te houden stellen we voor om het ‘goedkope’ nachtverbruik voor particulieren alleszins te beperken tot 1000 a 2000kwu (geleidelijke afbouw) per jaar.
Dit geldt uiteraard ook voor andere energieverslinders die vnl op nachttarief werken, zoals accumulatie verwarming op elektriciteit.
Een bijkomende maatregel zou er in kunnen bestaan om geleidelijk aan minimum energielabels in te voeren voor was- en vaatwasmachines zodat deze grootverbruikers langzaam aan minder gaan verbruiken. Deze energielabels bestaan ook reeds, alleen wordt hier nog geen rekening gehouden met warmwateraansluitingen.
Als het merendeel van deze machines een goed energielabel heeft gaat het principe van de massaproductie spelen waardoor deze machines uiteindelijk niet veel in prijs zullen toenemen. De consument zal zijn meerkost vlot terugverdienen door een lager energieverbruik.

15.3. Steunmaatregelen voor zonneboilers
België heeft het minst aantal zonneboilers staan van gans Europa. Dit is een schande. Landen met een lager zonneaanbod zoals de Scandinavische landen hebben een veelvoud aan zonneboilers. Er zijn technieken op de markt om het maximum te halen uit een zonneboiler (met een minimum aan bijverwarming).
Naast het afremmen van niet duurzame productie van warmwater, moet het aanmoedigen van een duurzame productie van warm water worden nagestreefd.
In die zin is het verantwoord dat de subsidies voor zonneboilers worden verhoogd.

15.4. Milieulabel voor CV-installaties
Niet enkel de wagens stoten schadelijke verbrandingsgassen uit. Ook de CV-ketels van particulieren zijn niet steeds milieuvriendelijk qua uitstoot. Ook hier dringt zich de invoering van een ‘euro-4'-norm of iets vergelijkbaars maar dan specifiek voor vast opgestelde installaties op.

16. Stappenplan invoering hernieuwbare energie
De Belgische regering heeft de beslissing genomen om geleidelijk de kerncentrales te sluiten. Electrabel heeft opvallend weinig tegengewerkt omdat in de beslissing van de regering duidelijk vermeld stond dat dit enkel zou gebeuren voor zover dit in de praktijk mogelijk zou zijn. In de praktijk bestaat de strategie van Electrabel er nu in om minimaal te investeren in vervangingscentrales. Als men aan de vooropgestelde datum is voor het sluiten van kerncentrales zal blijken dat men de ‘kern’-capaciteit nodig zal hebben. In Zweden hebben de kernfreaks dezelfde strategie gevolgd waardoor de kerncentrales niet kunnen gesloten worden op de vooropgestelde termijnen.
Daarom moet naarmate de sluitingsdata eraan komen, systematisch en tijdelijk een overcapaciteit worden uitgebouwd zodat de vooropgestelde data kunnen worden gehaald.
Het meest wenselijk is de uitbouw van STEG-centrales op biomassa of waterstof. Voorwaarde is dat er voldoende biomassa of waterstof voorhanden komt, naast het maximaal benutten van wind- en zonne-energie.

BIJLAGE

MIP : Vlaamse regering richt Milieu-Innovatie Platform op (mei 2004)
Volgens de Vlaamse regering is ook het milieu één van de motors voor economische ontwikkeling. Om dat te onderstrepen werd recent het Milieu-Innovatie Platform (MIP) opgericht. Hiermee geeft de Vlaamse regering uitvoering aan één van de beslissingen van de Ondernemingsconferentie van eind 2003. De bedoeling van het MIP is om alle relevante actoren uit het bedrijfsleven, de onderzoeksinstellingen, de overheidsbedrijven en de overheidsadministraties bij dit platform te betrekken om zo tot een onderlinge samenwerking te komen.
Enerzijds zullen projecten gericht op een Duurzame Technologische Ontwikkeling extra steun krijgen, en anderzijds zal een Excellentiepool Milieutechnologie opgericht worden met de expertise van universiteiten, hogescholen en andere onderzoeksinstellingen. Het MIP-initiatief moet de doelstellingen van het Vlaams innovatiebeleid combineren met deze van het milieu- en energiebeleid, zoals geformuleerd in het Pact van Vilvoorde, met win-win situaties als gevolg.

MOCT - Mobility & Clean Technology : doel van het platform is het uittekenen van een visie voor de toekomst van België i.v.m. mobility & Clean Technology, gekoppeld aan een coherent beleid aangaande energie en mobiliteit.
Tevens zal het platform advies geven over projecten die deze materie behandelen.

Instituut voor duurzame mobiliteit : Clean Technology for Public Transport (CTPT)
1. Pilootproject met autobussen van de lijn
Deze werken op een mengsel 20 % waterstof en 80 % aardgas. Dit gebeurt in opdracht van de minister van leefmilieu, consumentenzaken en duurzame ontwikkeling Freya van den Bossche.
2. Valiëring en spin off
Met medewerking van onder andere: Van Hool, Vandenborre Technologies, Schwelm, Otraco, C-Power, Development, De Lijn, MIVB, TEC, MAN, overheid, EU,..
Dit project beoogt de ontwikkeling van een instelbaar brandstofsysteem welke geplaatst op een bestaande aardgasmotor voor stadsbussen deze bus de mogelijkheid geeft op een mengsel van waterstof en aardgas te rijden.
Alle belangrijke steden van de EU worden gevraagd mee te werken aan het project.

 

Alle opmerkingen i.v.m. dit thema kan u kwijt aan Remi Heylen.

 

Tags: